Invloed van
vroege moeder- jongscheiding en andere factoren op
probleemgedrag bij katten
Els Peeters
Werkgroep
Gedragsbiologie
Universiteit Antwerpen
-
Ondanks het feit dat
kattengedragsdeskundigen al vaker het idee hebben geopperd dat
probleemgedrag bij katten voor een deel te wijten zou zijn aan
het te vroeg scheiden van kittens van hun moeder en nestgenoten,
is dit gegeven op wetenschappelijk gebied nog nagenoeg
onontgonnen terrein.
-
Toen gedragstherapeute Marcellina Stolting
haar collectie jarenlang zorgvuldig verzamelde data over katten
met probleemgedrag aanbood om te gebruiken voor
wetenschappelijke doeleinden, werd dit voorstel dan ook in dank
aanvaard.
-
In samenwerking met de Universiteit Antwerpen en de KaHo Sint-Lieven voerde de studente dierenzorg Nathalie
Slootmans een eerste verkennend onderzoek uit aan de hand van
deze data. Het moet gezegd dat zij dit schitterend heeft gedaan.
Haar onderzoek zal de basis vormen voor een verdere studie naar
de effecten van leeftijd van wegname van kittens uit het nest op
latere gedragsproblemen. Ondertussen wil ik u de preliminaire
resultaten niet onthouden en vertel ik u graag wat meer over het
onderzoek.
-
Het verband tussen de leeftijd
waarop een kitten wordt weggenomen van het moederdier (plus een
aantal andere factoren) en probleemgedrag in het verdere leven
van het dier werd onderzocht aan de hand van 315 dossiers,
opgesteld tussen september 2004 en juni 2008. De meeste katten
uit de steekproef waren gespeend
tussen 6 en 13 weken, wat in de tijdsrange valt die normaal in
de Benelux wordt gehanteerd. 45,71% van de katten was van
particuliere afkomst, 25,71% van een fokker, 13,65% van een
boerderij en 14,92% had een afkomst anders dan de voorgaande.
-
Aangezien door de aard van de
data alle katten sowieso probleemgedrag vertoonden, werd gekeken
naar het verband met de som van het probleemgedrag. Hiertoe werd
voor elke categorie van probleemgedrag (o.a. angst, agressie,
onzindelijkheid…) een score toegekend per kat. Zo kon voor elke
kat een ‘hoeveelheid’ probleemgedrag bepaald worden. De meest
voorkomende problemen waren angst (n=109), stress (n=73),
agressie (n=64), intraspecifieke agressie (n=36), sproeien
(n=68) en onzindelijkheid (n=59).
-
Er bleek inderdaad een negatieve
correlatie te zijn tussen speenleeftijd en probleemgedrag: hoe
jonger de katten gespeend waren, hoe groter de som van het
probleemgedrag was. Dit betekent dat hoe vroeger een kitten van
het moederdier werd weggenomen, hoe meer probleemgedrag het op
latere leeftijd vertoonde. De katten afkomstig van een fokker
vertoonden het minste probleemgedrag. Dit kan eventueel een
aanwijzing zijn naar de optimale speenleeftijd omdat fokkers hun
kittens over het algemeen tot minstens 13 weken bijhouden.
-
Naast speenleeftijd werden nog
andere factoren bekeken die kunnen bijdragen aan het ontstaan
van probleemgedrag. Zo bleken leeftijd, geslacht, gewicht en
aantal kinderen in het gezin geen invloed te hebben op het
probleemgedrag. Gezinnen met slechts één kat hadden meer
problemen met deze kat dan gezinnen met meerdere katten. Dit is
nog maar eens een aanwijzing dat katten in wezen best sociale
dieren zijn. Een ietwat verrassend resultaat was dat hoe meer
kattenbakken de katten in totaal ter beschikking hadden, hoe
minder probleemgedrag ze vertoonden, maar hoe meer kattenbakken
de katten per kat hadden, hoe meer probleemgedrag ze vertoonden.
Dit kan samenhangen met het feit dat er dan ook meerdere katten
zijn welke onderling meer problemen kunnen hebben.
-
Zoals u merkt is probleemgedrag bij katten iets zeer complex.
Dit maakt het niet eenvoudig om achteraf op te lossen. Wij hopen
dan ook dat deze resultaten een eerste stap kunnen zijn naar een
beter begrip van het ontstaan van probleemgedrag. Preventief
werken is zeer belangrijk! Aan de hand van deze resultaten
zouden wij dan ook aanraden om kittens zeker zo lang mogelijk
bij de moeder te laten, zodat alvast één factor in het ontstaan
van probleemgedrag uitgesloten kan worden.
-
-
-
Els Peeters
-
Werkgroep
Gedragsbiologie
-
Universiteit Antwerpen