Informatie
E-Nummers
Hulpstoffen die toegevoegd worden
aan levensmiddelen hebben een groepsnaam die de algemene functie aangeeft.
Daarnaast hebben ze ook een scheikundige benaming. In europees verband is
afgesproken deze stoffen te beoordelen op hun nut en veiligheid en deze na
goedkeuring te voorzien van een E-nummer.
Een E-nummer wordt toegekend aan
additieven indien zij in alle EU-landen zijn toegelaten en goedgekeurd door
het Wetenschappelijk Comité voor Voeding, na getest te zijn op hun functie
en gezondheidseffecten. Indien volgens de huidige wetenschappelijke
inzichten is gebleken dat een additief in levensmiddelen gebruikt kan worden
zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid, wordt de toevoeging in principe
toegestaan en voorzien van een E-nummer. Ze staan in de ingrediëntenlijst op
het etiket van verpakte produkten.
De EU werkt met positieve lijsten.
Dat wil zeggen dat alleen toevoegingen die op de lijst staan, gebruikt mogen
worden. Toch mogen additieven, ook als ze een E-nummer hebben, niet zonder
meer in alle produkten worden gebruikt. Dit betekent dat E-nummers in een
beperkt aantal voedingsmiddelen mogen worden toegepast en bovendien meestal
in zeer geringe hoeveelheden. Er zijn veel hulpstoffen die ook in de natuur
voorkomen. Ook deze natuurlijke hulpstoffen (eg: citroenzuur) hebben een
E-nummer.
Op het etiket staat altijd eerst
de groepsnaam van de hulpstof vermeld en daarna het E-nummer en/of de naam
ervan. Bijvoorbeeld: kleurstoffen: E221 of Natriumsulfiet. De tabel
hieronder geeft een globaal overzicht van de indeling van de hulpstoffen.
Een aantal hulpstoffen hebben verschillende functies. Daarnaast overlapt de
nummering van een aantal categorieen elkaar, zoals bij emulgatoren en
rijsmiddelen.
Toevoegingsmiddelen, een definitie?
Van toevoegingsmiddel (ook wel
additief of hulpstof) bestaat geen officiele definitie. De Engelse Food
Labelling Regulations omschrijft het als volgt: Een toevoegingsmiddel is een
stof die gewoonlijk niet beschouwd wordt als voedsel en die bevordert dat
het voedsel goed blijft (conserveringsmiddelen), maakt dat het voedsel er
aantrekkelijk uitziet (kleurstoffen), de stevigheid van het voedsel
beinvloedt (emulgatoren, stabilisatoren, verdikkings- en geleermiddelen), en
helpt bederf te voorkomen (anti-oxidanten, voedingszuren).
De grens van wat een
toevoegingsmiddel is, is enigszins onduidelijk. Vitaminen en mineralen die
worden toegevoegd om de voedingswaarde te verhogen, worden niet als
voedingsmiddelen gezien. Echter vitamine C en E zijn behalve vitaminen ook
anti-oxydanten. Zijn ze toegevoegd met de bedoeling bederf tegen te gaan,
worden deze stoffen ineens wel toevoegingsmiddelen.
Mag een fabrikant
het E-nummer weglaten?
Toevoegingen die aangeduid worden
met E-nummers staan de laatste jaren in een kwaad daglicht, zeker als het om
natuurvoedingsprodukten gaat. Dit is de reden dat steeds meer producenten
ertoe overgaan om in plaats van het e-nummer, de stof te noemen die hiermee
wordt aangeduid. Dit is toegestaan. Sinds 1990 zijn producenten verplicht om
alle gebruikte hulpstoffen/additieven door middel van hun E-nummer of hun
naam op de verpakking te vermelden. Bij overgevoeligheid voor een bepaalde
toevoeging is het dus van belang om zowel op het nummer als ook op de naam
van de stof te letten.
Een grove indeling
van de additieven is als volgt:
|
Groepsnaam
|
E-nummers
|
|
Kleurstoffen
|
E100 – E180
|
|
Conserveermiddelen
|
E200 – E296
|
|
Anti-oxidanten
|
E220 – E321
|
|
Voedingszuren
|
E260 – E385 en E472
|
|
Verdikkingsmiddelen
|
E322 – E495
|
|
Emulgatoren
|
E322 – E495
|
|
Stabilisatoren
|
E322 – E495
|
|
Zuurteregelaars
|
E500 – E585
|
|
Antiklontermiddelen
|
E500 – E585
|
|
Rijsmiddelen
|
E500 – E585
|
|
Smaakversterkers
|
E620 – E640
|
|
Zoetstoffen
|
E420 – E421 en E950 –
E967
|
Kleurstoffen
Kleurstoffen worden toegevoegd om
een produkt aantrekkelijker te maken. Ze herstellen of verbeteren de
natuurlijke kleur. De meeste toegestane stoffen zijn van natuurlijke
oorsprong. Daarnaast zijn er echter ook synthetische (kunstmatige)
kleurstoffen. Een stof als riboflavine (E 101) is ook bekend als vitamine
B2. Een aantal kunstmatige kleurstoffen (azokleurstoffen) kan bij daarvoor
gevoelige katten gezondheidsklachten geven.
Conserveermiddelen
Conserveermiddelen voorkomen of
remmen de groei van gisten, schimmels en bacterien in een produkt. Zo wordt
bederf van het levensmiddel voorkomen en wordt de houdbaarheid ervan
verlengd. Zonder deze stoffen zou consumptie van levensmiddelen meer risico
met zich mee brengen. Conserveermiddelen zorgen er namelijk voor dat
ziekteverwekkende bacterien en schimmels niet kunnen groeien in of op een
levensmiddel. Daarom vervullen conseveermiddelen een nuttige rol.
Anti-oxidanten
Zuurstof uit de lucht kan reageren
met bestanddelen uit het voedsel. Hierdoor kan vet bijvoorbeeld ranzig
worden of een levensmiddel verkleuren. Anti-oxidanten voorkomen bederf van
het voedsel door inwerking van zuurstof. Veel anti-oxidanten zijn
natuurlijke stoffen (vitamine E) of natuurlijke voedingszuren (vitamine C en
citroenzuur). Anti-oxidanten worden voornamelijk toegevoegd aan plantaardige
en dierlijke olien en vetten en vleeswaren.
Over anti-oxydanten is de laatste
tien jaar veel te doen. Anti-oxidanten zijn veelal chemische middelen die
bij inname van te hoge hoeveelheden bijzonder nadelig kunnen zijn voor de
gezondheid. De totale hoeveelheid van een of meer synthetische
anti-oxydanten in diervoeding mag niet hoger zijn dan 150 mg per kilo
voedsel. Er geldt een aanvaardbare dagelijkse inname (ADI) van 0,5 mg/kg
lichaamsgewicht per dag voor alle anti-oxydanten tezamen. De volgende
chemische anti-oxydanten worden vaak in diervoeders gebruikt:
E320 Butylhydroxyanisol (BHA)
Bepaald is dat van BHA maximaal
0,5 mg/kg lichaamsgewicht per dag aanvaardbaar is. Indien met deze
hoeveelheid rekening gehouden wordt, is BHA, voor zover bekend, volkomen
veilig. Bij overdosering vergroot het de kans op afbraak van belangrijke
voedingsbestanddelen zoals vitamine D. Sommige mensen en dieren reageren op
het middel met oedeemvorming. Voor mensen jonger dan 1 jaar is het middel in
het geheel verboden!
E321 Butylhydroxytolueen (BHT)
De maximaal aanvaardbare dosis is
ook hier 0,5 mg/kg lichaamsgewicht per dag. Bij inachtnaming van deze
hoeveelheid is BHT, voor zover bekend, volkomen veilig. BHT oefent invloed
uit op het vetmetabolisme van de lever. Bij overdosering kan onder meer
vergroting van de lever ontstaan.
E324 Ethoxyquine (EQ)
Ethoxyquine wordt tot op de dag
van vandaag door de WHO (World Health Organisation) beschreven als
pesticide. In verband met zijn kankerverwekkende eigenschappen is het sinds
1989 geheel verboden voor menselijke consumptie. Naast zijn
kankerverwekkende eigenschap, tast Ethoxyquine de darmflora aan, wat op
termijn verschillende klachten met zich mee brengt, wordt ethoxyquine
opgeslagen in onderhuids vet, belemmert ethoxyquine de ontlading van
statische elektriciteit waardoor huidklachten worden versterkt dan wel
ontstaan. Symptomen mbt de huid zijn:
· Droog, breekbaar haar,
haaruitval
· Verlies van glans van het haar
· Verbleking van huid en haar
· Schubben op de huid, schurftachtige huid
· Dermatitis
· Jeuk, wat krabben en dus mogelijk ernstige infecties veroorzaakt
E310 Propylgallaat
Ook propylgallaat is een chemische
anti-oxidant voor oliën en vetten. Vaak wordt het in combinatie met BHA en
BHT gebruikt waarvan het dan de werking versterkt. Propylgallaat wordt in
het lichaam opgesplitst in gallaat en propanol. Gallaat is verwant aan
benzoezuur (E210) en kan tot intolerantie of overgevoeligheidsreacties
leiden. Niet gesplitste gallaten kunnen leverbeschadigingen veroorzaken.
Gallaten zijn voor mensen jonger dan 1 jaar verboden en worden afgeraden
voor hyperactieve kinderen. De aanvaardbare dagelijkse inname (ADI) is 0.2
mg/kg lichaamsgewicht per dag.
BHA, BHT, Ethoxyquine en
Propylgallaat zijn allen carcinogene (kankerverwekkende) stoffen. Men moet
rekening houden met de mogelijke schade van deze stoffen voor de gezondheid
van de kat. Meestal worden deze stoffen niet met naam en toenaam genoemd op
het etiket, maar gewoon als anti-oxidanten of als “bevat in de EC toegestane
anti-oxydanten”. De reden dat een producent niet verplicht is de
anti-oxidanten bij naam te noemen is dat de stof al in het vet verwerkt is
en de producent van het kattenvoer het vet met de anti-oxidanten erin als
halffabrikaat aankoopt. Hij verwerkt het dus niet zelf in het voer. Op deze
manier worden katteneigenaren helaas niet voldoende geďnformeerd, eerder
misleid.
De natuurlijke stoffen vitamine E
en C worden ook als anti-oxidanten gebruikt. Echter ook overdosering van
vitamine E is niet ongevaarlijk en kan leiden tot klachten als ernstige
hoofdpijn, misselijkheid, vermoeidheid, dufheid en gestoord
gezichtsvermogen. Nadelige effecten van hoge doseringen vitamine C zijn tot
op heden niet bekend.
Emulgatoren, Stabilisatoren,
verdikkings- en/of geleermiddelen
Emulgatoren en stabilisatoren
zorgen ervoor dat twee slecht mengbare stoffen zoals vet en water toch
gemengd kunnen worden. Ze worden onder andere gebruikt in slasaus,
mayonaise, chocolade en margarines. Eigeel en sojabonen bevatten van nature
de emulgator lecithine (E 322). Stabilisatoren voorkomen onder andere dat
zwaardere deeltjes in vloeibare produkten naar de bodem zakken.
Verdikkings- en geleermiddelen
geven het produkt de juiste dikte en stevigheid. Ze worden onder andere
toegepast in gebonden soepen, sausen en toetjes.
Geur- en smaakstoffen cq
aromastoffen
Deze stoffen hebben geen nummers
gekregen. De Warenwet staat in principe gebruik van natuurlijke geur- en
smaakstoffen toe. Uitgangspunt bij de toelating is dat deze stoffen al sinds
eeuwen worden gebruikt. De overheid gaat ervan uit dat alleen de
onschadelijke geur- en smaakstoffen zijn overgebleven. Ook natuurlijke geur-
en smaakstoffen kunnen in grotere hoeveelheden echter schadelijk zijn.
Daarom is van een aantal stoffen aangegeven hoeveel hiervan maximaal in een
levensmiddel mag voorkomen. Daarentegen worden kunstmatige geur- en
smaakstoffen uitgebreid onderzocht voor ze worden toegelaten. Op het etiket
worden geur- en smaakstoffen vaak aangeduid met ‘aroma’.
Zuurteregelaars,
antiklontermiddelen, rijsmiddelen
Zuurteregelaars worden gebruikt om
de zuurtegraad van het produkt te regelen. Dat wil zeggen: ze zorgen voor
een zuurdere (frisser van smaak en soms langer houdbaar) of minder zure
smaak. Antiklontermiddelen gaan het samenklonteren tegen van poedervormige
levensmiddelen in de verpakking. Rijsmiddelen zorgen ervoor dat deeg zonder
gist kan rijzen.
Smaakversterkers
Smaakversterkers worden in veel
verschillende produkten toegepast. Ze zorgen ervoor dat de smaak van een
produkt beter uitkomt. De smaakversterker (natrium)glutam(in)aan is te koop
onder de naam Ve-tsin. Deze kan bij overmatig gebruik klachten als
misselijkeheid en duizeligheid tot gevolg hebben.
Kunstmatige Zoetstoffen.
Zoetstoffen zijn met slechts
enkele nummers vertegenwoordigd. Er bestaan echter een groot aantal stoffen
die als ingrediënt beschouwd worden, maar ook als zoetstof. Het gaat hierbij
om kaliumacesulfaam, aspartaam, saccharine (met zijn natrium- en kaliumzout)
en thaumatine. Thaumatine is een natuurlijk eiwit dat in de vruchten zit van
Thaumatoccus danielli, een plant die in tropisch Afrika groeit. De overige
zijn synthetische verbindingen. Hun zoetkracht kan tot 200 keer zo groot
zijn als die van bietsuiker. Een belangrijke reden voor hun gebruik is dat
ze vrijwel geen calorieën bevatten.
Industriële
kattenvoer
De toevoegingsmiddelen die aan
industriële kattenvoer worden toegevoegd zijn, in aflopende volgorde:
emulgatoren en stabilisatoren, anti-oxydanten, conserveermiddelen en
kunstmatige kleur-, geur- en smaakstoffen. Ook al staan toevoegingsmiddelen
tegenwoordig in een kwaad daglicht, het is belangrijk te realiseren dat
zonder deze stoffen industriële kattenvoer ondenkbaar is. Met name
anti-oxydanten zijn zonder meer noodzakelijk.
Voedselovergevoeligheid
Additieven of hulpstoffen worden
vaak in verband gebracht met overgevoeligheidsklachten. Klachten die wel
worden toegeschreven aan het gebruik van additieven, hebben te maken met:
· de huid (e.g. kale plekken,
bultjes)
· de luchtwegen (e.g. astma)
· gedragsproblemen (e.g. hyperactiviteit)
Het is moeilijk om een duidelijk
verband aan te tonen tussen dit soort klachten en voedsel. Men moet erop
bedacht zijn dat er ook een andere oorzaak voor de klachten zou kunnen
bestaan. Daarnaast wordt voedselovergevoeligheid vooral in verband gebracht
met een of meer van de gebruikte eiwitbronnen in het voer. Toch doen mensen
die vermoeden dat zijn/haar kat een voedselovergevoeligheid heeft, er goed
aan door een dierenarts te laten uitzoeken voor welke stof(fen) of
voedingsmiddel(en) ze precies overgevoelig zijn.